zaterdag 12 maart 2016

Toen, nu en straks


Toen ik 10 jaar oud was ging ik voor het eerst met mijn ouders naar het buitenland. Via België en Frankrijk reden we met de auto naar Zwitserland. Geweldig vond ik het! Er was zoveel te zien vanuit de auto. De rit kon mij niet lang genoeg duren. Of ik vanuit het zijraampje naar buiten keek of langs mijn ouders, door de voorruit, maakte allemaal niks uit: tot heel ver weg kon ik alles overzien, zoals het landschap dat bleef veranderen. En bij het passeren van de grens bij België, Frankrijk en Zwitserland veranderden ook de verkeersborden, de wegen en de huizen. Die zomer zag ik dat allemaal voor het eerst, net als heuvels en bergen.  

 Hoezo, een landschap dat steeds verandert?

Nu rijd ik nog steeds met evenveel plezier in de auto naar Italië. Gelukkig zit ik voorin en word ik niet belemmerd door die hoofdsteunen. Want die kids van tegenwoordig kunnen door die hoofdsteunen niet meer goed door de voorruit naar buiten kijken en het veranderende landschap zien. Natuurlijk kunnen ze nog wel door de zijraampjes kijken, maar dan stuiten ze op een muur, een hoge muur die het verkeerslawaai voor de omwonenden moet tegenhouden. Of ze zien helemaal niks omdat de auto door een tunnel rijdt. Hoezo, een landschap dat steeds verandert? Gelukkig bieden de hoofdsteunen uitkomst! Ze doen namelijk uitstekend dienst als beeldscherm voor de iPad. En dat is wat ik nu heel vaak zie als ik een auto passeer: kinderen op de achterbank, starend naar een beeldscherm.

Maar gelukkig blijft de auto-industrie zich verder ontwikkelen.

Straks rijden er immers zoveel elektrische auto’s dat die geluidswallen helemaal niet meer nodig zijn. In plaats van nieuwe muren te bouwen kunnen de bestaande gesloopt worden. Een heerlijk vooruitzicht, want de kinderen van nu kunnen straks genieten van het landschap zoals ik toen. 

 

dinsdag 2 februari 2016

Gluren bij de buren


Het houtwerk van mijn balkon was hoognodig aan een schilderbeurt toe; het begon te verrotten. En de klimop begon het huis te overwoekeren. Na een jaar van e-mails sturen naar de huisbaas, kwamen  ze eindelijk: de schilders!

Ik blij!
Helaas ging die blijheid snel over in ergernis.

Het begon er mee dat de schilders een dag eerder dan afgesproken wilden beginnen en zij onder meer de vlonders, de vuilnisbak en een tafeltje gingen verplaatsen. Iets wat ik zelf wilde doen de dag erna. “Oké houd je in”, sprak ik mezelf toe. “Zij moeten erbij kunnen. Het weekend begint straks en dan zijn ze weg en heb jij je rust”.

Ik heb er niks van gezegd, want dat vond ik te kinderachtig en ik wilde mij bovendien niet laten kennen.

Toen ze de maandag erna begonnen was het meteen raak! Het begon al vroeg in de ochtend toen ik in de keuken mijn ontbijt voorbereidde (gelukkig was ik wel aangekleed en opgemaakt); ik hoorde hun zware stappen op de steiger, met de radio luid aan. Ik heb er niks van gezegd, want dat vond ik te kinderachtig en ik wilde mij bovendien niet laten kennen. Vervolgens stapten ze op mijn balkon (waar de keukendeur op uit komt) en begonnen met het schilderwerk. Vanaf dat moment voelde ik mij enorm bekeken. Ik deed daarom zo snel mogelijk mijn ding om des te eerder naar mijn werk te kunnen gaan, dankbaar dat ik niet aan huis gebonden ben, zoals mijn benedenbuurman van 85 jaar.   

Toen ik die bewuste maandagavond weer thuis kwam was ik moe en had ik hoofd- en spierpijn. Binnengekomen zag ik wat ik niet wilde zien: de schilders waren in mijn huis geweest, waar ze niets hadden te zoeken. Daarnaast moesten de deuren en ramen naar het balkon open blijven, omdat de verf nog nat en plakkering was; uitgerekend toen het stormde en regende. Eén pluspunt: de klimop was verdwenen!

Daarna verhuisde de steiger naar mijn slaapkamerraam. Absoluut niet fijn! Gelukkig sta ik altijd vroeg op, maar dan nog: een slaapkamer vind ik erg privé.
 
Was dit alles? Nee! Tot overmaat van ramp kwamen er tegelijkertijd ook steigers aan de voorkant van het huis. Ik voelde me toen dubbel begluurd en vroeg mij direct af of het wel netjes was in huis. Dus ruimde ik alles op. Alsof het de schilders wat kon schelen….

En  toen gingen ze weer weg, de rust keerde terug, de ergernis verdween en ik voelde me weer vrij in mijn eigen huis.

Het buitenschilderwerk ziet er goed uit en kan weer vijf jaar mee.

maandag 28 december 2015

Een complimentje op z'n tijd.


Een complimentje geven of krijgen blijkt vaak lastig.
Een compliment wordt vaak afgedaan als “het valt wel mee”, ongeacht waarom een compliment wordt gegeven. Zo zei ik tegen iemand  dat ik haar vest leuk vond en dat de kleur haar mooi staat. Haar reactie was: “O, maar hij is al heel oud”. Niet dat ze hem ook zo mooi vindt en dat ze het met mij eens is dat de kleur haar goed staat. Nee, niks van dat alles. Mijn compliment werd weggewoven.

Ik ben na al die tijd nog steeds verbaasd over haar zelfbewuste reactie, ook al had ze volkomen gelijk.

Toen ik daar bij stil stond realiseerde ik me dat ik het zelfde doe. Als ik bijvoorbeeld een compliment over een leuk jasje krijg, dan zeg ik meestal dat ik dat jasje al heel lang heb, of dat die niet duur was, en vaak meld ik er ook  nog bij waar ik het gekocht heb (en dan alleen als het in een goedkope winkel was). Waarom weet ik niet, het is gebeurd voordat ik er erg in heb.  
Als iemand daarentegen een compliment “goed” ontvangt, dan ben ik verbaasd. Jaren  geleden zei ik tegen een vriendin dat haar kapsel (het was heel erg kort) haar goed stond. Zij zei niet: “dank je wel” of zo, maar zij beaamde dat en zei er bovendien nog bij dat zij een mooie schedel heeft en dat daarom dat korte haar bij haar zo goed staat. Ik ben na al die tijd nog steeds verbaasd over haar zelfbewuste reactie, ook al had ze volkomen gelijk.

Is het typisch Nederlands dat een compliment niet ten volle wordt gewaardeerd? Ligt dat aan onze calvinistische aard? Mogen wij niet pronken met iets goeds? Het antwoord hierop weet ik niet, maar wat ik wel weet is dat mijn voornemen voor 2016 is niet meer ongevraagd te vertellen waar ik iets heb gekocht en voor hoe weinig geld, maar “dank je wel” te zeggen en dat ik het helemaal met haar (hem)  eens ben. Sterker: het zou  leuk zijn om een keer te liegen, ofwel zeggen dat ik iets in een heel exclusieve zaak in Rome of Milaan heb gekocht voor heel veel geld. Kijken hoe men dan reageert. Maar zover ben ik nog niet.    
Fijne jaarwisseling en een complimentrijk 2016!!!
  


 

vrijdag 4 december 2015

Feestdagen


In juni begon de discussie over Piet, mag hij zwart of juist niet?
Mag hij wit met een veeg roet, of moet hij rondlopen met een paarse toet?
En zijn haar, hoe moet dat er uit zien?
Kroes, of blond en steil misschien?

Begin september zag ik de kruidnootjes al liggen, en even later ook marsepeinen biggen.
In oktober zag ik de letters van Droste en eigen merk Hema.
De oliebollenkraam verscheen toen ook, wat je zeker heel goed rook.
 

Dan komen de kerstdagen en die onbeantwoorde vragen.

 
 
In november kwam de stoomboot binnen en toen kon het feest echt beginnen.
In diverse winkels liedjes over Piet en Sint, over de roe, wild geraas, of blij gezind,
Op straat Pieten met grote zakken snoep, die ze strooiden over de stoep.
Ook hadden ze andere lekkere dingen, waar ik de kleintjes omheen zag dringen.

En morgen, 5 december, is het ‘t avondje van Sinterklaas, en daarna… is het voorbij, helaas!
Helaas? Wel nee!! Want dan komt de Kerstman in z’n arrenslee.
En wordt de aandacht op iets anders gericht dan de kleur van Piets gezicht.
Dan komen de kerstdagen en die onbeantwoorde vragen:
Zoals: “Met wie rijdt oma dit jaar mee naar het kerstdiner?”

En na de kerst is het oliebollen bakken en vuurwerk uit de dozen pakken.
We vieren de komst van het nieuwe jaar, lekker knus thuis of buiten met elkaar.
In januari zijn we uitgefeest, maar ja; dan is het eigenlijk wel genoeg geweest.

Tot  eind april, dan is het Koningsdag, een dag waarop bijna alles mag!
Een paar dagen later, op 5 mei, vieren we “VRIJ!”
En in juni beginnen we weer van voren af aan: “Wat doen we met Zwarte Piet voortaan?”  

 

   

vrijdag 13 november 2015

Het eenzame jasje.


Een paar maanden geleden zat ik gezellig met een vriendin te kletsen in een van onze favoriete restaurants. Achter haar zaten drie mannen aan een tafel voor vier; één stoel was dus leeg. Eén van deze mannen trok zijn colbertje uit en hing dat niet over zijn eigen stoel, noch over die ene lege, maar over een stoel naast hem; aan een andere tafel, waar niemand aan zat. Volgens mij deed hij dit om zijn territorium te vergroten. Maar had ik daarin gelijk? Ik vroeg het hem. Zijn antwoord: “ik wil niet dat mijn jasje kreukt.” Daar ging mijn theorie! Of had ik stiekem toch gelijk?
 
 Ik heb er niks van gezegd, want dat vond ik te kinderachtig en ik wilde mij bovendien niet laten kennen.

Korte tijd na dit incident zat ik op een terras aan een tafeltje waaromheen vier stoelen stonden. Naast mij gingen twee mannen zitten, tegenover elkaar. De man tegenover mij zat zo wijdbeens, dat zijn voeten bijna onder “mijn’ tafeltje kwamen; even later zette hij bovendien een voet op een van de stoelen van “mijn” tafeltje en hield daarbij ook nog die stoel aan de armleuning vast. Het voelde alsof hij mijn territorium binnendrong en dat voelde niet prettig. Ik heb er niks van gezegd, want dat vond ik te kinderachtig en ik wilde mij bovendien niet laten kennen.
 
In de tram of bus gebeurt dit ook. Vaak zitten mensen in hun eentje op een bank voor twee, met de tas op de andere stoel, aan het gangpad. Daar ik het niet nodig vind dat een tas zit en ik moet staan vraag ik of “die plek” vrij is, wijzend naar de zitplaats van de tas. De tas wordt dan (uiteraard) op schoot genomen, maar soms gaat dat met grote tegenzin.  

Mijn kat heeft ook de neiging haar gebied te vergroten. Als ik ga slapen ligt zij heel bescheiden op een hoekje van het bed, maar als ik ’s ochtends wakker word neemt zij mijn hele bed in beslag en mag ik blij zijn met een randje. Ergert mij dit? Nee, integendeel! Ik vind het juist heel slim van haar dat zij mij helemaal naar de rand van het bed krijgt zonder mij wakker te maken. Ik stap dan heel voorzichtig uit bed opdat zij kan blijven liggen, over de gehele breedte van mijn bed!    

 

 

 

zondag 25 oktober 2015

Wintertijd


Wintertijd

Vandaag is de wintertijd  begonnen. Al was het mooi en zonnig weer, de zomer is nu toch echt afgelopen! Ik word daar altijd een beetje triest van.

Mijn kat blijft lekker  liggen maar ik moet er uit, het warme bed verlaten. Dat is toch tegennatuurlijk?

Afgelopen vrijdag heb ik mijn balkon winterklaar gemaakt. De groene houten vlonders staan tegen de muur, bedekt met plastic zakken tegen het gure weer. De planten zitten in hun doos en staan op zolder, samen met het tafeltje en de twee stoelen. Op mijn balkon zitten heeft nu geen zin; het is er te koud. De zon laat zich daar alleen zien in de zomer, ’s ochtends tot 8 uur en ’s avonds vanaf 19.30 uur. Vandaar mijn plastic planten.
 
En straks, vanaf november, is het nog donker en koud als ik moet opstaan. Mijn kat blijft lekker  liggen maar ik moet er uit, het warme bed verlaten. Dat is toch tegennatuurlijk? Helaas heeft de maatschappij  daar geen boodschap aan.

Daarnaast word ik triest van het grijze weer en de donkere dagen. ’s Ochtends naar het werk in het  donker en ’s avonds naar huis in het donker. Geen straaltje zon op mijn gezicht.

Uiteraard heeft de wintertijd ook z’n voordelen.

Als de klok is teruggezet is het weekend een uur langer; Ik verzet mijn klokken en horloges pas nadat ik ben opgestaan en aangekleed. Dan is mijn dag lekker lang. Anderen geven de voorkeur aan een langere nacht en verzetten hun klok de avond ervoor. Morgen, maandag is het weer wat lichter in de ochtend en niet meer zo koud. Helaas duurt dát voordeel niet zo lang. De dagen worden immers in rap tempo korter en de temperatuur zakt gestaag tot onder het vriespunt.

Gelukkig heb ik een lekker warm huis en volop eten in de diepvries, ligt mijn kat op schoot als ik ’s avonds TV zit te kijken en heb ik mijn elektrische dekentje aan om mijn bed voor te verwarmen. Heel comfortabel. Maar dan zie ik die beelden voor me van al die mensen die  nu in de regen en kou buiten moeten slapen, op de koude grond, met heel weinig te eten en te drinken, die huis en haard hebben verlaten, die niet weten hoe lang zij in deze ellendige situatie moeten zitten. Dat is pas écht triest.

 

vrijdag 9 oktober 2015

Dat ene sigaretje


In juni 1993 ben ik gestopt met roken. Dit keer voorgoed! De wens om niet meer te roken kwam diep vanuit mijn tenen.
 
Tussen mijn veertiende en zestiende rookte ik stiekem; vanaf mijn zestiende officieel. Toen mocht het van thuis. Die ƒ 100,- die ik zou krijgen als ik voor mijn achttiende niet had gerookt boeide mij niet.

En zo’n lange filtersigaret vond ik zo mooi staan, zo elegant!

Ik wist al van kleins af aan dat ik zou roken. Als mijn vader een sigaret opstak (een Gitanes of een Gauloises) dan vond ik dat altijd heerlijk ruiken, vooral als hij die sigaret in de auto opstak. En bij vrouwen vond ik zo’n lange filtersigaret heel mooi staan, zo elegant!

 
De eerste sigaret was natuurlijk heel vies en ik werd er ook nog duizelig van. Maar ja, ik moest roken. En roken deed ik: elke dag, zelfs met keelontsteking, jaren lang. Tot ik er genoeg van kreeg, en mij realiseerde dat ik verslaafd was. Dat nicotinemonstertje bepaalde of ik een sigaret opstak, niet ik.

Maar ja, met stoppen had ik al ervaring opgedaan:  na een jaar wist ik nog hoeveel dagen ik niet had gerookt. Dat is niet vol te houden. Gelukkig hoorde ik van een praatgroep en dat heeft mij geholpen. Want het was mij wel duidelijk dat ik niet op eigen houtje kon stoppen. Na vijf sessies was ik zover; op woensdagavond doofde ik mijn laatste sigaret onder de kraan, de overige drie sigaretten verpulverde ik en toen was het over en uit! Vanaf dat moment was ik een niet-roker.

Het was niet makkelijk, om te stoppen. Als vergelijking dacht ik aan een relatie, of beter; een relatie die ik eindelijk, na twee jaar aanmodderen, had uitgemaakt, waarna mijn ex daarna steeds opbelde en vroeg of ik met hem uit eten wilde gaan. Mijn antwoord was steevast “nee”, omdat ik wist dat ik dan weer zou bezwijken voor zijn charmes en dat dat het begin van de ellende zou zijn. Die vergelijking hield me op de been om het niet-roken vol te houden.

En vannacht heb ik een sigaret gerookt. Ik was weer begonnen. Wat een ramp, dat wilde ik niet! Hoe kon ik dat doen? En vooral: hoe kom ik er weer van af?  Ik zag dat afkicktraject voor me en werd er niet vrolijk van.

En toen werd ik wakker! Met een bonkend hart. Gelukkig, het was een droom, die terugkerende droom, die angstdroom dat ik weer begonnen ben door dat ene sigaretje. Blij stond ik daarna op, omdat ik nog steeds een niet-roker ben!